De onderbouw staat in het teken van een brede oriëntatie op de arbeidsmarkt. De eerste twee leerjaren worden gebruikt om leerlingen kennis te laten maken met de verschillende beroepsgebieden. In het eerste leerjaar oriënteren de leerlingen zich breed op alle beroepsgebieden. In het tweede leerjaar wordt de oriëntatie specifieker, de leerling maakt een keuze uit een aantal beroepsgebieden waar hij/zij zich verder in wil verdiepen. Ook maken leerlingen kennis met de verschillende basismaterialen en basistechnieken die in de beroepspraktijk centraal staan. Er is uiteraard ook veel aandacht voor veiligheid in de beroepspraktijk.
Naast de praktische vakken hebben leerlingen ook theorievakken als Nederlands en Wiskunde. Zij werken binnen deze vakken op hun eigen niveau. Er wordt zoveel mogelijk geprobeerd om deze theorievakken te laten aansluiten bij wat leerlingen in de praktijk moeten weten en kunnen.
Er wordt gewerkt met vaste roosters voor groepen leerlingen. Leerlingen weten wat er van hen wordt verwacht, maar worden tegelijkertijd wel aangesproken op hun eigen niveau.